Onderzoeksprogramma (2020-2025)


Het onderzoeksprogramma van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging voor de periode 2022-2025 kent twee hoofdthema’s:

(1) Toekomstperspectieven voor waardevol werk

(2) Het verstoorde evenwicht tussen arbeid en kapitaal

Het eerste thema beoogt een aansprekend toekomstperspectief te schetsen voor de plaats en kwaliteit van arbeid en de rol van de vakbeweging daarbij. Het tweede thema betreft een ontwikkeling die door velen wordt gezien als de belangrijkste bedreiging voor de positie van werkenden en het systeem van geordende arbeidsverhoudingen. 

Hieronder worden beide thema’s verder uitgewerkt en worden enkele mogelijke concrete onderzoeken genoemd die binnen beide thema’s in de periode 2022-2025 zouden kunnen worden uitgevoerd. 

Hoofdthema 1: Toekomstperspectieven voor waardevol werk


Naast werk en werkzekerheid is de kwaliteit van het werk altijd een belangrijke speerpunt van de vakbeweging geweest. Nu de economie zich sterk herstelt van de Covid-19-pandemie en de komende jaren eerder een tekort aan mensen dan een tekort aan banen het probleem lijkt te zijn, is er alle reden voor de vakbeweging om de aandacht (nog) sterker te richten op de kwaliteit van het werk. Het streven zou niet alleen moeten zijn dat zoveel mogelijk mensen die dat willen, kunnen werken, maar vooral ook dat zij perspectief hebben op waardevol werk. Dit sluit aan op de ‘gewoon goed werk’-agenda die de FNV al meer dan een decennium uitdraagt. 

Het WRR-rapport Het betere werk en het rapport van de Commissie Borstlap In wat voor land willen wij werken? hebben er op gewezen dat het doel van ‘gewoon goed werk’ nog voor lang niet iedereen is gerealiseerd. In het kader van dit thema in het onderzoeksprogramma zal worden nagegaan hoe de kwaliteit van het werk in het komende decennium voor iedereen verbeterd kan worden. Zeker nu de arbeidsmarkt krapper wordt, zijn er volop kansen om op dit terrein verbetering te realiseren. Daarbij hoort ook een kritische reflectie op de plaats van werk in onze samenleving en de balans tussen werk en privéleven.

Enkele mogelijke onderzoeken die in het kader van dit thema kunnen worden uitgevoerd:

1. Gelijke kansen op waardevol werk: Dat bepaalde bevolkingsgroepen (bv. met een migratieachtergrond of met een lichamelijke of mentale beperking) minder kans op (betaald) werk hebben dan anderen, is genoegzaam bekend. Steeds meer wordt onderkend dat er tussen werkenden onderling ook grote verschillen zijn in de kans op waardevol werk, dat wil zeggen werk van voldoende kwaliteit en met kans op ontwikkeling en autonomie (zie ook onderzoek 2). Behalve een migratieachtergrond en een beperking kunnen ook sekse en seksuele geaardheid een belemmering blijken doordat er, al dan niet bewust, bij promoties en ontwikkelingsmogelijkheden op die kenmerken wordt geselecteerd en gediscrimineerd. Dit soort interne selectiemechanismen is echter moeilijk direct door vakbonden met cao-afspraken te beïnvloeden. In dit onderzoek worden de oorzaken van deze vormen van discriminatie geïnventariseerd en wordt nagegaan welke instrumenten kunnen worden ingezet om deze selectie en discriminatie tegen te gaan en hoe effectief deze zijn.

2. Zeggenschap over werk en de balans met het privéleven: Uit organisatiepsychologisch onderzoek is bekend dat autonomie en intrinsieke motivatie de belangrijkste voorwaarden zijn voor het mentale welbevinden en de bevlogenheid van werkenden. Het goede nieuws is, dat de autonomie van werknemers in Nederland, in internationaal perspectief, groot is, zoals uit cijfers van Eurofound blijkt. Het slechte nieuws is echter dat de autonomie (zeggenschap over werktijden, werktempo, uitvoering van het werk) sinds het begin van deze eeuw in Nederland is afgenomen. Dat is ook zorgelijk omdat zeggenschap over werktijden belangrijk is voor een goede afstemming tussen werk en privéleven. Steeds meer werkenden combineren betaald werk met zorgtaken, maar die combinatie is voor velen nog steeds lastig te organiseren en mede hierdoor stressvol. De toename van burnout-gerelateerde verschijnselen duidt ook op een toenemende spanning tussen taakeisen en regelmogelijkheden. In dit onderzoek wordt, op basis van beschikbare literatuur, nagegaan wat verklaart waarom de autonomie en zeggenschap van werknemers afnemen en wordt onderzocht welke aanpak effectief is om deze weer te vergroten. In dit verband zal ook worden gekeken naar opties als verkorting van de voltijdwerkweek (bv. naar een vierdaagse werkweek) en meer mogelijkheden voor thuiswerken (wat veel werknemers zouden willen).

3. Medezeggenschap: Waar het vorige thema zich richt op individuele zeggenschap over het werk, gaat dit thema over collectieve medezeggenschap. Werknemers hebben nog altijd weinig te zeggen over strategische ondernemingsbeslissingen, zoals omvangrijke investeringen, herstructureringen, fusies en overnames. In de meeste ondernemingen is de invloed van de OR hierop beperkt en komen vakbonden past in actie als de bedrijfsleiding het besluit al hebben genomen. Toch is het thema van ‘economische democratie’ in de loop van de tijd steeds meer naar de achtergrond gedrongen. Is er reden om dit thema weer hoog op de vakbondsagenda te zetten? Zo ja, moet versterking van medezeggenschap primair worden gezocht via versterking van de (wettelijke) rol van de OR of moeten nieuwe vormen van (mede)zeggenschap worden beproefd? Moeten daarvoor oude ideeën als financiële participatie opnieuw worden afgestoft of zijn er nieuwe instrumenten voorhanden?

4. Het werknemersperspectief. Hoewel in het vakbondswerk de werknemer centraal staat, wordt maar zelden de vraag gesteld hoe werkenden zelf tegen hun werk aan kijken. Wat betekent werk voor hen? In welke mate voelen zij zich onderdeel van een ‘werkende klasse’? Hoe ervaren zij hun positie op de arbeidsmarkt? Welke invloed hebben zij op hun werksituatie en welke mogelijkheden zien zij voor politiek engagement? Kortom, wat is de identiteit van de werkenden van vandaag en hoe sterk verschilt die tussen verschillende groepen? Het werknemersonderzoek leent zich hiervoor.

 

Hoofdthema 2: Het verstoorde machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal


De afgelopen jaren is veelvuldig geconstateerd dat het (machts)evenwicht tussen arbeid en kapitaal is verstoord, ten nadele van de factor arbeid. Indicaties hiervoor zijn onder meer het dalende aandeel van arbeid in het nationaal inkomen, de toename van inkomens- en vermogensverschillen, de ontwijking of ontduiking van cao’s en belastingen door (grote) ondernemingen, en de groei van onzekere contracten (zoals flexwerk). Het gevolg is dat de macht van vakbonden afneemt en de kwaliteit van arbeid onder druk staat (zie ook thema 1). 

Doel van het onderzoek dat onder dit thema valt is om nader te onderzoeken welke ontwikkelingen ten grondslag liggen aan deze verstoring van het machtsevenwicht en op welke wijze vakbonden (zowel nationaal als internationaal) deze ontwikkelingen kunnen trachten te keren dan wel de ongewenste gevolgen ervan kunnen verzachten. 

Enkele mogelijke onderzoeken in het kader van dit thema:

1. Nieuwe vormen van kapitalisme: De (mondiale) kapitalistische economie heeft de afgelopen decennia belangrijke veranderingen doorgemaakt. Mede hierdoor is het machtsevenwicht tussen arbeid en kapitaal, dat het naoorlogse sociale compromis kenmerkte, verstoord. Eén belangrijke ontwikkeling is de financialisering. Financieel kapitaal, dat geen directe band (meer) heeft met fysieke productiemiddelen, wordt steeds dominanter. Het gevolg is dat een steeds groter deel van de maatschappelijke welvaart toevalt aan activiteiten die niet productief zijn, omdat ze er uitsluitend op zijn gericht om nog meer financiële opbrengst te genereren. Een andere ontwikkeling is de opsplitsing van productieactiviteiten in steeds langere ketens van toeleveranciers, onderaanneming e.d. Hieraan verwant is de tendens onder grote bedrijven om het werkgeverschap te ontlopen door dit uit te besteden aan andere bedrijven (zoals uitzendorganisaties, zzp’ers, onderaannemers; vgl. Weil). Een derde ontwikkeling is de opmars van digitale platforms die zich presenteren als intermediair, maar feitelijk vaak de rol van werkgever vervullen zonder daarvoor de verantwoordelijkheid op zich te nemen. Deze ontwikkelingen verzwakken de positie van de werkenden, omdat hun juridische status vaak niet helder is en bedrijven hun wettelijke plichten ten aanzien van werknemers trachten te ontlopen. Ze verzwakken ook de positie van vakbonden, omdat cao’s worden ontweken of ontdoken of het zelfs niet (meer) mogelijk is om cao’s af te sluiten (omdat er geen werkgever is en omdat onderhandelen voor zzp’ers op juridische bezwaren stuit). Deze veranderingen in het hedendaagse kapitalisme vormen een belangrijke uitdaging voor de vakbeweging. Oude vormen van actie en onderhandelingen zijn minder effectief geworden, maar het is (nog) niet duidelijk welke nieuwe vormen daarvoor in de plaats kunnen komen. In dit onderzoek wordt verkend welke mogelijkheden vakbonden hebben om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en het machtsevenwicht te herstellen. Vereist dit dat vakbonden meer internationaal gaan samenwerken en dat supranationale overheden (zoals de EU) maatregelen nemen? Of kunnen vakbonden en regeringen ook op nationaal niveau stappen zetten? Dient de vakbeweging zich vooral op (nationale en supranationale) overheden te richten of kan zij ook zelf afspraken maken met werkgevers of zich via aandelenbezit een plaats veroveren tussen de kapitaalverschaffers?

2. Ondermijning van cao’s: De zekerheid dat de (gevestigde) vakbonden via cao’s voor het grootste deel van de werkenden goede afspraken kunnen maken over arbeidsvoorwaarden staat onder druk. In toenemende mate sluiten bedrijven of werkgeversorganisaties cao’s met kleine, niet-onafhankelijke vakbonden of passeren zij de vakbonden geheel en stellen een arbeidsvoorwaardenreglement op met de OR. Ook worden cao’s ontweken door personeel in te huren dat onder een andere, goedkopere cao valt (zie ook onderwerp 1). Daarnaast proberen sommige bedrijven onder een bedrijfstak-cao uit te komen door een eigen cao af te sluiten (vgl. ASML). Langzaam maar zeker dreigt hierdoor het bestaande Nederlandse cao-stelsel te worden ondermijnd. Dit onderzoek brengt de belangrijkste bedreigingen voor het cao-stelsel in beeld, gaat na wat de oorzaken daarvan zijn en onderzoekt op welke wijze verdere ondermijning kan worden voorkomen. Is hiervoor andere wetgeving gewenst of kunnen vakbonden hierover ook nieuwe afspraken met werkgevers maken (bv. op hoger niveau in de STAR of via sectoroverstijgende cao’s)?


 

Onderzoeksprogramma (2016-2020)


Sinds zijn start in 2011 heeft het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging (WBV) gewerkt op basis van onderzoeksprogramma’s voor één jaar. Vanwege het beperkte budget waarover het WBV beschikt, konden aan een nieuw onderzoeksprogramma meestal niet meer dan twee of drie onderzoeksthema’s worden toegevoegd. Hierdoor krijgt de keuze van onderzoeksthema’s enigszins een ad hoc karakter. Het voordeel hiervan is dat redelijk snel kan worden ingespeeld op actuele ontwikkelingen. Een nadeel is dat er over de jaren heen weinig lijn en samenhang in het onderzoeksprogramma lijken te zitten. Om dit nadeel te ondervangen is besloten een onderzoeksprogramma op hoofdlijnen op te stellen voor de komende vijf jaar, de periode 2016-2020. Het doel hiervan is niet om alle onderzoeksthema’s voor de komende vijf jaar vast te leggen, maar wel om enkele hoofdthema’s voor onderzoek te benoemen, waaronder de onderzoeken vallen die de komende jaren zullen worden uitgevoerd. Evenals in eerdere jaren geldt als uitgangspunt voor het onderzoek van het WBV dat het gaat om strategische vraagstukken, gerelateerd aan structurele, lange termijn ontwikkelingen, en dat de opbrengst van het onderzoek relevant en bruikbaar voor de vakbeweging dient te zijn. Het onderzoeksprogramma voor de periode 2016-2020 sluit aan bij de twee kerndoelen van de vernieuwde FNV, namelijk ‘echte banen’ en ‘versterking vakbeweging’. Deze twee hoofdthema’s worden hieronder toegelicht en per thema worden de concrete onderzoeken genoemd die de komende jaren zullen worden uitgevoerd.

 

Hoofdthema 1. Vraagstukken op het terrein van de kwaliteit van de arbeid (‘echte banen’)


De economie en de arbeidsmarkt ondergaan ingrijpende veranderingen, onder invloed van krachten als globalisering van productie- en dienstverleningsketens, technologische ontwikkeling, demografische ontwikkeling (vergrijzing, migratie) en de economisch crisis. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de structuur van de arbeidsmarkt en de machtsverhouding tussen arbeid (vakbeweging) en kapitaal (bedrijfsleven). Allereerst zetten deze ontwikkelingen de positie van de groepen aan de ‘onderkant’ van de samenleving onder druk. De maatschappelijke ongelijkheid neemt toe. In een samenleving die steeds meritocratischer wordt, dreigen achterstanden van generatie op generatie te worden overgedragen. Bezuinigingen op overheidsvoorzieningen treffen groepen aan de onderkant vaak het hardst. Wie een baan heeft moet steeds vaker genoegen nemen met een onzekere baan met een slechte beloning. Er is de laatste tijd echter toenemende aandacht voor het feit dat ook de middengroepen en de middelbare beroepen onder druk staan. Er is sprake van een polarisatie van de banenstructuur, waardoor vooral op middenniveau werk verloren gaat. De middengroepen voelen zich in toenemende mate onzeker over hun werk en inkomen. Dit betreft niet alleen het risico om je baan te verliezen, maar ook onzekerheid als gevolg van flexibilisering, uitholling van de kwaliteit van het werk, toenemende werkdruk, stagnerende lonen en afnemende carrièreperspectieven. Sociale daling is een realiteit geworden. Aangezien de middengroepen vanouds de maatschappelijke ruggengraat vormen, waarvan zowel de vakbeweging als de verzorgingsstaat in sterke mate afhankelijk is, kan een afbrokkelende middenklasse op termijn ingrijpende gevolgen hebben. Concrete onderzoeksthema’s die onder dit hoofdthema vallen, zijn:

1. Onderkant van de arbeidsmarkt.

Er lijkt sprake van een toenemende concentratie van werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De laagbetaalde werkgelegenheid is fors gegroeid; blijkbaar raken de lagere loonschalen steeds meer gevuld. Dat roept de vraag op wie deze laagste loonschalen bezetten, in welke sectoren en beroepen, en wat hun perspectieven zijn op doorgroei naar beter betaalde banen. Tegelijkertijd wordt er naar gestreefd om meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan de onderkant van de reguliere arbeidsmarkt te werk te stellen (banenafspraak, Participatiewet). Vind er daardoor aan de onderkant van de arbeidsmarkt steeds meer loonconcurrentie plaats, onder andere door de inzet van de doelgroep van de Participatiewet met loonkostensubsidies en op onbetaald werk? Welke perspectieven biedt de Participatiewet aan kansarme groepen, met name aan jongeren met arbeidsbeperkingen? De kwaliteit van het werk aan de onderkant lijkt ook onder druk te staan door de decentralisatie in het publieke domein, waardoor er bezuinigd wordt op publieke diensten. Wat zijn de mogelijkheden voor sociaal aanbesteden: welke lessen zijn bijvoorbeeld te trekken uit het protocol in de schoonmaaksector?

2. Transitionele arbeidsmarkt.

Loopbanen zijn steeds minder stabiel en voorspelbaar. Mensen maken steeds vaker transities tussen verschillende posities (werknemer, zelfstandige, onderwijsvolgende etc.). Het sterk op werknemers en op sectoren gerichte sociale stelsel lijkt hierop onvoldoende toegesneden. Enerzijds gaat het om de ondersteuning van werkenden die een transitie doormaken, zoals van-werk-naar-werk-trajecten. Welke rol kan en dient de vakbeweging hierin te spelen? Bijzondere aandacht verdient de rol van de ouder wordende werknemer: hoe kan haar/zijn duurzame inzetbaarheid worden vergroot, mede in het licht van de stijgende pensioenleeftijd? Anderzijds gaat het om een socialezekerheidsstelsel dat niet langer uitgaat van een ononderbroken loopbaan maar aansluit bij de transitionele arbeidsmarkt. Moet er een basisverzekering voor alle werkenden komen? Is het basisinkomen een alternatief voor het bestaande sociale stelsel? Welke andere collectieve arrangementen zijn nodig?

3. Flexibilisering.

Hoewel het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging de afgelopen jaren al diverse studies aan flexibilisering heeft gewijd, roept deze trend nog altijd veel vragen op. Het gaat hierbij niet alleen om ‘externe’ flexibilisering (tijdelijk werk, uitzendwerk, zzp’ers), maar ook om ‘interne’ flexibilisering, zoals de sterke toename van oproep- en min-max-contracten en de verschuiving van (vaste) werktijden naar (24-uurs) beschikbaarheid. Wat zijn hiervan de gevolgen voor de kwaliteit van het werk, welzijn, gezondheid en het sociale leven van werkenden? En wat is een passende vakbondsstrategie om hierop te reageren?

4. De middengroepen. 

Hoe ontwikkelt de positie van de middengroepen zich ten opzichte van de lagere en hogere klassen? Wat zijn de gevolgen als de middenklasse krimpt en/of steeds meer onder druk staat? De verbinding tussen de hogere en de lagere klassen dreigt te worden verbroken en het draagvlak voor de vakbeweging versmalt. Dit roept de vraag op hoe de positie van de middengroepen kan worden versterkt. Zijn scholing en training de oplossing of dient de sociale zekerheid voor deze groep te worden verbeterd (zie ook thema 2)?

5. Technologische ontwikkeling. 

Momenteel verricht het Wetenschappelijk Bureau onderzoek naar de gevolgen van technologische ontwikkeling voor de werkgelegenheidsontwikkeling. Er liggen echter ook belangrijke vragen over de gevolgen van technologie voor de kwaliteit van het werk, die in het lopende onderzoek minder aandacht zullen krijgen. Hierbij valt enerzijds te denken aan de directe gevolgen van toepassing van nieuwe technologieën op de werkvloer: leidt dit tot degradatie (saai, routinematig en slecht betaald werk) of tot regradatie (interessanter, afwisselender en beter betaald werk met meer autonomie)? Hoe kan de vakbeweging bevorderen dat technologische ontwikkeling ten goede komt aan de kwaliteit van het werk? Een ander gevolg van technologische ontwikkelingen is de opmars van de zogenaamde deeleconomie. Bekende voorbeelden zijn Uber, Airbnb en Peerby. Volgens sommigen zal de deeleconomie de toekomst van de economie ingrijpend beïnvloeden. De deeleconomie roept echter ook weerstanden op, omdat ze een bedreiging zou zijn voor traditionele bedrijven en dus ook voor traditionele werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden. Een aspect dat tot nog toe betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen zijn de mogelijke gevolgen voor de arbeidsverhoudingen. Traditioneel werk in dienstverband wordt vervangen door, vaak half informeel, werk van zelfstandigen of zelfs door onbetaald werk van ‘vrijwillligers’ (bv. bij Peerby). Zal de deeleconomie het stelsel van geordende arbeidsverhoudingen onder druk zetten? En, zo ja, hoe kan hier tegenwicht tegen worden geboden?

6. Verhouding kapitaal-arbeid. 

De balans tussen arbeid en kapitaal is de afgelopen decennia verschoven in het voordeel van de factor kapitaal. Dit blijkt niet alleen uit het groeiende aandeel van het kapitaalinkomen in het bbp (Piketty), maar ook uit de toenemende invloed van aandeelhouders op de strategie van ondernemingen, waaronder indirect ook het personeelsbeleid en het arbeidsproces. Als personeel vooral wordt gezien als kostenpost, kan dit ingrijpende consequenties hebben voor de arbeidsorganisatie. Het kan bijvoorbeeld bijdragen aan een toenemende scheiding tussen de rol van werkgever (die kan worden uitbesteed via outsourcing en payrolling) en die van ondernemer. Er zijn echter ook alternatieve modellen, waarin werknemers eigenaar zijn van de onderneming en er sprake is van zelfbestuur: wat zijn de economische en sociale effecten daarvan en vormt dit een levensvatbaar alternatief voor de kapitalistische onderneming? De machtsverschuiving tussen arbeid en kapitaal kan ook bijdragen aan een andere invulling van de rol van HRM: steeds meer dienstbaar aan de financieel-economische doelstellingen van het bedrijf in plaats van een zelfstandige positie in te nemen t.o.v. het management. Wat betekent dit voor de personeelsfunctie van arbeidsorganisaties, de rol van leidinggevenden en de autonomie van medewerkers? Hoe zou de vakbond hierop moeten reageren?

 

Hoofdthema 2. Positie en strategie van de vakbeweging


De positie van de vakbeweging in Europa staat onder druk: de organisatiegraad loopt in bijna alle landen terug en de machtsbalans is de afgelopen decennia verschoven van de vakbeweging naar de werkgevers. Hoewel de FNV recent een ingrijpende reorganisatie heeft doorgemaakt, vertaalt dit zich vooralsnog niet in ledenwinst. Als het ledental verder daalt, dreigt dit de positie van de vakbeweging verder te verzwakken. Op welke wijze kan de vakbeweging weer leden winnen en binden, haar machtspositie versterken en het initiatief terugwinnen? En wat kunnen wij daarbij leren van de ervaringen in het verleden en in het buitenland? Deze lijn in het onderzoeksprogramma wordt in nauw overleg en samenwerking met de FNV concreet ingevuld. Hiervoor is een Kennisgroep versterking vakbeweging ingesteld met vertegenwoordigers van de FNV en van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging. Mogelijke onderzoeksthema’s:

1. Lessen uit het buitenland. 

Welke ervaringen zijn er in andere landen met strategieën om het ledental te vergroten, leden te activeren en de institutionele inbedding te versterken? Het gaat hierbij niet alleen om best practices, maar ook om leren van niet geslaagde pogingen. Belangrijk is om steeds rekenschap te geven van de invloed van de verschillende institutionele en sociaaleconomische contexten. Hierbij is ook aandacht voor de omvang en samenstelling van het ledenbestand relevant. Voor dit onderzoek zal samenwerking worden gezocht met vakbondsexperts in andere landen.

2. Analyse en evaluatie van vakbondsactiviteiten van de FNV. 

Op basis van eerder verrichte interne evaluatiestudies, beschikbare documentatie en interviews met direct betrokkenen wordt onderzocht welke campagnes en andere activiteiten meer en minder succesvol zijn geweest en welke factoren succes en falen kunnen verklaren. Dit kan er tevens toe bijdragen dat aanbevelingen worden geformuleerd t.a.v. toekomstige (interne) evaluaties van vakbondscampagnes.

3. Statistische analyse van de ledenontwikkeling. 

Als vervolg op een onderzoek naar de ledenontwikkeling uit 2009 door het AIAS wordt onderzocht hoe het ledental van de FNV zich heeft ontwikkeld in het afgelopen decennium en welke factoren deze ontwikkeling verklaren. Met behulp van een shift-share analyse kan daarbij onderscheid worden gemaakt tussen de effecten van de groei/krimp van de werkgelegenheid in sectoren, de compositie van de werkgelegenheid naar leeftijd en geslacht en de organisatiegraad van verschillende groepen in verschillende sectoren. Zo mogelijk zal de ontwikkeling van de organisatiegraad worden gerelateerd aan veranderingen in arbeidsvoorwaarden en specifieke campagnes.

4. Onderzoek onder leden en ex-leden. 

D.m.v. enquêtes en diepte-interviews onder leden en ex-leden, aangevuld met gesprekken in focusgroepen met (actieve en passieve) leden en ex-leden kan beter zich worden verkregen op de motieven voor mensen om lid te worden en al dan niet lid te blijven. In dergelijk onderzoek zal ook worden nagegaan wat de mogelijkheden zijn om leden actiever in te zetten voor vakbondsactiviteiten.

5. Onderzoek naar de institutionele inbedding. 

D.m.v. literatuurstudie, internationale vergelijking (zie ook onderzoek 1) en enkele case studies in specifieke sectoren zal worden onderzocht welke factoren bijdragen aan een effectieve institutionele inbedding van de vakbeweging, onder meer blijkend uit de kwaliteit van cao- en andere collectieve afspraken. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de verhouding tussen de institutionele inbedding (the logic of influence) en de wervingskracht van de vakbeweging (the logic of membership).

Top